Vogeltuin 7 gidsen

Een vogeltuin aanleggen

Inheemse planten, water en beschutting zodat vogels in je tuin blijven.

Praktische gidsen

7 gidsen

Een vogeltuin aanleggen betekent vooral: zorgen voor voedsel, dekking en water die de natuur zelf levert, zodat vogels ook zonder voederhuisje het hele jaar iets vinden. Hier lees je welke planten en ingrepen het meeste opleveren, ook in een kleine stadstuin, gebaseerd op advies van vogelorganisaties zoals Vogelbescherming en ecologische bronnen.

Drie keuzes maken het verschil. Eén: plant inheemse struiken met bessen, zoals meidoorn, lijsterbes, vlier, gelderse roos en hulst. Die geven vogels als merel, zanglijster en kramsvogel voedsel tot diep in de winter, en de dichte takken zijn tegelijk schuil en nestplek. Twee: laat de tuin in de herfst niet te netjes achter. Uitgebloeide planten met zaadhoofden, zoals kaardenbol en zonnehoed, zijn voer voor putter en sijs, en bladeren onder struiken zitten vol insecten waar roodborst en merel naar zoeken. Een takkenhoop in een hoek is ideaal voor de winterkoning. Drie: denk in lagen. Een tuin met bomen, struiken, lage planten en een open stuk gazon of bodem biedt ruimte aan veel meer soorten dan een tuin met alleen gras of tegels. Voeg een ondiepe waterplek toe en je tuin is compleet.

Veelgemaakte fouten: exotische siersoorten kiezen die weinig insecten of bessen opleveren, alles in de herfst wegknippen, en bestrijdingsmiddelen gebruiken, waardoor de insecten verdwijnen die jonge vogels in het voorjaar nodig hebben. Een kleine tuin of balkon telt ook mee: één goede besstruik en een paar bakken met inheemse bloemen doen al veel. Begin met de struiken en de gids voor kleine tuinen, en pas daarna je herfstonderhoud aan. Snoei hagen en struiken bij voorkeur buiten het broedseizoen, grofweg van half maart tot half augustus, zodat je geen nesten verstoort; controleer bij twijfel altijd eerst of er een nest in zit.