Vogelsoorten 30 gidsen

Tuinvogels lokken, soort voor soort

Zo lok je de soorten die je wilt zien: voer, voederplekken, planten en nestkasten.

Soortenportretten

30 gidsen

Tuinvogels lokken lukt het best soort voor soort, omdat een roodborst iets heel anders zoekt dan een putter. Hier vind je per vogelsoort wat die nodig heeft: voer, het juiste voederhuisje, planten, dekking en een nestkast. De portretten zijn gebaseerd op ornithologische bronnen en advies van vogelorganisaties zoals Vogelbescherming.

De eerste beslissing is kiezen met welke soorten je begint. Koolmees en pimpelmees zijn het makkelijkst: ze komen op zonnebloempitten en vet af en broeden graag in een nestkast met het juiste invlieggat. Roodborst, merel en heggenmus eten vooral op de grond of op een lage voedertafel en houden van dichte struiken. Putter en sijs komen af op nyjerzaad en op zaadhoofden die je in de herfst laat staan. De tweede beslissing is wat je tuin al biedt. Een tuin met een haag, een paar bomen en een hoekje ruigte trekt meer soorten dan een tuin met alleen gras en tegels, hoe goed je ook voert. De derde beslissing is geduld per seizoen. Een keep of kramsvogel zie je vooral in de winter, een zwartkop vaak van het voorjaar tot de herfst, en een groene specht is gebonden aan gazons met mieren.

Veelgemaakte fouten: alleen voer neerzetten zonder dekking of water, verwachten dat zeldzamere soorten binnen een week komen, en een nestkast met een verkeerde gatmaat ophangen. Denk ook aan hygiëne: groenlingen zijn gevoelig voor ziekte bij vuile voerplekken. Begin met de soorten die je al ziet, en bouw vanuit daar je tuin verder uit. Noteer een paar weken welke vogels wanneer komen en wat ze eten; dan zie je snel welk voer, welke plek of welke plant ontbreekt. Doe je in januari mee aan de Nationale Tuinvogeltelling van Vogelbescherming, dan heb je meteen een mooi ijkpunt voor volgend jaar.