Invlieggat nestkast: de juiste maat per vogelsoort (tabel)
Invlieggat nestkast maat per vogelsoort: 26 tot 28 mm voor de pimpelmees, 32 mm voor koolmees en huismus en 45 mm voor de spreeuw. Met complete tabel in mm.

In dit artikel
- Tabel invlieggat nestkast: Nederland en België
- Waarom maakt de maat van het invlieggat zoveel uit?
- Wat bepaalt verder welke vogel een kast gebruikt?
- Hoe maak je een nauwkeurig invlieggat?
- Maakt de vorm van de opening uit?
- Hoe meet je het gat van een bestaande nestkast?
- Veelgemaakte fouten
- Kan één kast meerdere soorten dienen?
- Hoe zit het met vleermuizen, eekhoorns en insecten?
- Snelle feiten
- Bronnen
- Veelgestelde vragen
De maat van het invlieggat is de belangrijkste maat van een nestkast, omdat die bepaalt welke vogels erin kunnen en welke buiten blijven. De maten om te onthouden: 26 tot 28 mm voor pimpelmees en zwarte mees, 32 mm voor koolmees, huismus, ringmus en boomklever, en ongeveer 45 mm voor de spreeuw. Britse organisaties hanteren iets krappere maten, met 25 mm voor de pimpelmees en 28 mm voor de koolmees. Beide systemen werken, zolang je weet welk doel je hebt.
Hieronder vind je de gangbare maten voor holenbroeders in Nederland en België, met een vergelijking met Britse en Noord-Amerikaanse richtlijnen. Daarna lees je waarom een paar millimeter zoveel uitmaakt, hoe je de juiste vogel in de kast krijgt en wat er behalve het gat nog meer bepaalt wie er komt wonen.
In de Engelse versie van dit artikel staan vooral Noord-Amerikaanse soorten als bluebirds en chickadees centraal, met maten in inches. Deze versie gaat uit van de vogels die je in Nederland en België in nestkasten aantreft, met alle maten in millimeters.
Tabel invlieggat nestkast: Nederland en België
De maten zijn diameters van een rond invlieggat, tenzij anders vermeld. Ze volgen gangbaar advies van Nederlandse en Belgische vogelorganisaties en nestkastbouwers. Waar bronnen een bereik geven, staat het bereik erbij.
| Soort | Invlieggat (mm) | Opmerkingen |
|---|---|---|
| Pimpelmees | 26 tot 28 | Ook zwarte mees, glanskop en matkop |
| Koolmees | 32 | Gebruikt ook grotere kasten |
| Ringmus | 32 | Broedt vaak in losse groepjes, ook in kasten aan schuren |
| Huismus | 32 tot 35 | Koloniebroeder, kasten met meerdere kamers werken goed |
| Boomklever | 32 | Metselt een te groot gat zelf dicht met modder |
| Bonte vliegenvanger | 28 tot 32 | Bosrijke omgeving met oude eiken, komt pas eind april terug |
| Gekraagde roodstaart | Ongeveer 32 of groter, ook ovaal | Bosranden en groene wijken met oude bomen |
| Spreeuw | Ongeveer 45 | Ruimere kast, hoog aan gevel of boom |
| Steenuil | Ongeveer 65 tot 70 | Speciale lange kast met een marterveilige gang, in het buitengebied |
| Gierzwaluw | Plat ovaal, ongeveer 30 x 65 | Speciale gierzwaluwkast hoog onder de dakrand |
| Roodborst, winterkoning, grauwe vliegenvanger, witte kwikstaart, zwarte roodstaart | Halfopen | Kast waarvan de bovenste helft van de voorkant open is |
| Boomkruiper | Spleet aan de zijkant | Speciale kast die plat tegen een boomstam hangt |
Zie je dat pimpelmees en koolmees maar een paar millimeter van elkaar liggen? Dat kleine verschil zorgt ervoor dat een kast van 26 tot 28 mm gereserveerd blijft voor pimpelmezen. Die zijn kleiner dan koolmezen en verliezen gevechten om een nestplek bijna altijd.
Waarom verschillen Nederlandse en Britse maten?
In Britse richtlijnen, onder andere van de RSPB en de BTO, staat 25 mm voor de pimpelmees, 28 mm voor de koolmees en ringmus en 32 mm voor huismus en boomklever. In Nederland en België kiezen de meeste gidsen voor een paar millimeter ruimer. Beide benaderingen zijn verdedigbaar. Een koolmees past door een gat van 28 mm, maar 32 mm geeft wat meer speling. Wil je huismussen buiten een koolmezenkast houden, dan kun je de Britse maat van 28 mm gebruiken. Wil je juist huismussen en ringmussen een kans geven, kies dan 32 mm.

Maten in Noord-Amerika
Voor wie in Noord-Amerika woont of daar een tweede huis heeft, geeft de tabel hieronder de belangrijkste maten volgens het NestWatch-programma van het Cornell Lab of Ornithology, omgerekend naar millimeters.
| Soort | Invlieggat (mm) | Opmerkingen |
|---|---|---|
| House wren (huiswinterkoning) | 25 tot 29 | 25 mm houdt huismussen buiten |
| Black-capped chickadee | 29 | Ook andere chickadees |
| Tufted titmouse | 32 | Ook andere titmice |
| White-breasted nuthatch | 32 tot 35 | Oude loofbomen in de buurt |
| Eastern en western bluebird | 38 | Houdt spreeuwen buiten |
| Mountain bluebird | 40 | Grootste bluebird |
| Tree swallow | 35 tot 38 | Open terrein, liefst bij water |
| Northern flicker | 64 | Kast tot de rand vullen met houtkrullen |
| Screech-owl en American kestrel | 76 | Houtkrullen op de bodem |
| Wood duck | Ovaal, 76 x 102 | Bij water, klimstrip aan de binnenkant |
Andere regio’s
Holenbroeders komen op elk continent voor, maar nestkastmaten zijn buiten Noord-Amerika en Europa minder gestandaardiseerd. In Turkije zijn koolmees, pimpelmees, boomklever, huismus en ringmus de meest waarschijnlijke bewoners van tuinkasten, zodat de Europese maten daar ook bruikbaar zijn. In Brazilië gebruikt de zuidelijke huiswinterkoning kleine kasten met een gat van ongeveer 25 tot 32 mm. De bekende roodbruine ovenvogel bouwt zijn eigen nest van modder en gebruikt geen nestkasten.
Waarom maakt de maat van het invlieggat zoveel uit?
Een nestkast is een schaarse plek waar veel vogels om strijden. Natuurlijke holtes, vooral oude spechtengaten, zijn schaars en veel soorten willen ze hebben. De maat van het gat werkt als een zeef.
Het houdt grotere concurrenten buiten. Een vogel kan niet door een gat dat kleiner is dan zijn lichaam. Een gat van 26 tot 28 mm is te krap voor huismussen en koolmezen, en een gat van 32 mm is te krap voor spreeuwen. In Noord-Amerika, waar huismus en spreeuw uitheemse soorten zijn, gebruikt men dat om inheemse vogels te beschermen. In Nederland en België zijn beide soorten inheems en in aantal achteruitgegaan, dus hier gaat het er vooral om de juiste soort bij de juiste kast te krijgen.
Het beschermt tegen sommige rovers. Een kleiner gat houdt grotere nestrovers als kraaien, eksters en gaaien buiten. Muizen, wezels en slangen worden er niet door tegengehouden, dus de manier van ophangen en extra bescherming blijven belangrijk.
Het past bij wat de vogel zoekt. Vogels beoordelen een nestplek zorgvuldig. Een te groot gat kan een kleine vogel een onveilig gevoel geven, en een te klein gat is simpelweg onbruikbaar.
Welke vogels houd je buiten met welke maat?
| Invlieggat | Houdt buiten | Laat nog binnen |
|---|---|---|
| 25 tot 26 mm | Koolmees, huismus, spreeuw, de meeste concurrenten | Pimpelmees, zwarte mees, glanskop |
| 28 mm | Huismus (doorgaans), spreeuw | Pimpelmees, koolmees, ringmus, bonte vliegenvanger |
| 32 mm | Spreeuw | Huismus, ringmus, koolmees, boomklever |
| 35 tot 38 mm | Spreeuw (meestal) | Alle kleinere holenbroeders |
| 45 mm of groter | Niets betrouwbaars | Spreeuwen en soms holenduiven of eekhoorns |
De praktische vuistregel: elke kast met een gat van 32 mm of meer is open voor huismussen. In Nederland en België is dat geen reden tot zorg. Alle in het wild levende vogels en hun nesten zijn hier wettelijk beschermd, de huismus ook, en veel mensen hangen juist speciale mussenkasten op.

Wat bepaalt verder welke vogel een kast gebruikt?
De maat van het gat opent de deur, maar de rest van de kast en de plek bepalen wie er echt intrekt.
Bodemmaat
De bodem moet ruimte bieden aan het hele legsel en de groeiende jongen. Een ruwe richtlijn:
- Ongeveer 10 x 10 tot 12 x 12 cm: pimpelmees, koolmees, ringmus, boomklever, bonte vliegenvanger. Mezen leggen soms grote legsels, dus een iets ruimere bodem is geen nadeel.
- Ongeveer 12 x 12 tot 15 x 15 cm: huismus, gekraagde roodstaart.
- Ongeveer 15 x 15 tot 18 x 18 cm: spreeuw.
- Veel groter en speciaal gebouwd: steenuil, kerkuil en torenvalk. Gebruik voor deze soorten een bouwtekening van een gespecialiseerde organisatie.
Afstand van het gat tot de bodem
Het invlieggat moet ruim boven het nest zitten, meestal 13 tot 18 cm voor kleine zangvogels. Een diepe kast houdt jongen buiten bereik van een kattenpoot of een ekstersnavel die door het gat reikt, en voorkomt dat ze te vroeg uitvliegen. Heel ondiepe kasten zijn een veelvoorkomend gebrek bij decoratieve vogelhuisjes.
Omgeving en plaatsing
Dezelfde kast trekt op verschillende plekken verschillende vogels. Een kast van 32 mm aan de gevel van een huis in een wijk met huismussen wordt waarschijnlijk een mussennest. Hang hem aan een eik aan de bosrand en je krijgt eerder een koolmees of boomklever. Bonte vliegenvangers en gekraagde roodstaarten zoeken kasten in of bij bos. In onze gidsen over een nestkast ophangen aan een paal, boom of muur en wanneer je nestkasten ophangt lees je hier meer over.
Binnenkant van de kast
Spechten maken hun eigen holte en dragen geen nestmateriaal aan. Wil je een specht een kans geven, vul de kast dan met houtkrullen (geen zaagsel, dat klontert en water vasthoudt), zodat hij zelf kan uithakken tot de diepte die hij wil. In Nederland en België gebruiken spechten nestkasten overigens zelden. Voor mezen, mussen en vliegenvangers laat je de kast leeg: zij brengen zelf mos, haar en veren mee.
Hoe maak je een nauwkeurig invlieggat?
Een precies gat maken is makkelijker dan het klinkt.
- Gebruik een speedboor of gatenzaag van precies de juiste maat. Gatenzagen van 25, 28 en 32 mm zijn in elke bouwmarkt te koop, en maten van 26 en 35 mm zijn ook verkrijgbaar.
- Boor van buiten naar binnen met een stuk afvalhout achter de plank geklemd, zodat het hout niet splintert.
- Meet na het boren. Sommige boren snijden net iets te ruim, en een of twee millimeter kan een huismus of koolmees binnenlaten. Controleer met een schuifmaat.
- Schuur de randen licht, maar maak de opening niet groter.
- Ruw de binnenkant van de voorplank op onder het gat met ondiepe zaagsneden of een staalborstel, zodat de jongen naar buiten kunnen klimmen.
Wat als een specht of eekhoorn het gat groter maakt?
Dit is in Nederland en België een bekend probleem: de grote bonte specht hakt soms het invlieggat van een mezenkast open om bij de jongen te komen, en eekhoorns knagen gaten wijder. Een metalen plaatje met een gat van de juiste maat, over de opening geschroefd, herstelt de maat en voorkomt verder hakken of knagen. Een dikker houten blok rond de opening maakt het ook moeilijker voor rovers om naar binnen te reiken, omdat de gang langer wordt. Kasten van houtbeton zijn een alternatief waar spechten nauwelijks doorheen komen.

Maakt de vorm van de opening uit?
Meestal zijn ronde gaten de standaard, en daar gaat de tabel van uit. Een paar andere vormen worden bewust gebruikt.
Ovale openingen. Sommige kasten voor gekraagde roodstaart en huismus hebben een ovaal gat. Dat laat meer licht binnen en is makkelijk te gebruiken, maar de hoogte van de opening moet kloppen, anders kunnen spreeuwen naar binnen.
Platte ovale openingen voor gierzwaluwen. Gierzwaluwkasten hebben een brede, lage opening, meestal ergens rond 30 bij 65 mm. Gierzwaluwen kunnen daar doorheen, terwijl spreeuwen er meestal niet in passen. Volg voor de maten het advies van een gierzwaluwwerkgroep of Vogelbescherming in plaats van te gokken.
Halfopen kasten. Roodborsten, winterkoningen, grauwe vliegenvangers, witte kwikstaarten en zwarte roodstaarten willen een richel of een kast waarvan de helft van de voorkant open is. Dit zijn geen echte holenbroeders, dus een rond gat van welke maat ook negeren ze. Hang halfopen kasten goed verstopt in klimop of dichte struiken, want ze zijn kwetsbaarder voor katten en eksters.
Hoe meet je het gat van een bestaande nestkast?
Heb je een kast gekocht zonder duidelijke maten, controleer hem dan voordat je hem ophangt.
- Meet het breedste punt van het gat met een liniaal of, beter, een schuifmaat. Meet twee keer haaks op elkaar, want met de hand gezaagde gaten zijn niet altijd perfect rond.
- Vergelijk met de tabel. Een gat dat tussen twee maten valt, laat de grotere vogel binnen. Een kast die als pimpelmeeskast wordt verkocht maar een gat van 32 mm heeft, trekt koolmezen en huismussen.
- Controleer de afstand van het gat tot de bodem. Meet van de binnenbodem tot de onderkant van het gat. Minder dan ongeveer 10 cm is voor de meeste soorten te ondiep.
- Controleer de bodem. Een bodem kleiner dan ongeveer 10 x 10 cm is voor de meeste holenbroeders te krap.
- Herstel wat je kunt. Een metalen plaatje kan een te groot gat terugbrengen naar de juiste maat. Een te ondiepe kast is lastiger te repareren en kun je beter als tuindecoratie gebruiken.
Veelgemaakte fouten
- Kopen op uiterlijk. Veel decoratieve vogelhuisjes hebben te grote gaten, te kleine bodems of geen ventilatie. Controleer de maten.
- Een stokje onder het gat. Holenbroeders hebben het niet nodig, en het helpt eksters, gaaien en katten.
- De maat gokken. Een gat van 32 mm dat voor pimpelmezen bedoeld is, trekt koolmezen en huismussen. Meet.
- Het verkeerde gat voor de omgeving. Een spreeuwenkast diep in een dicht bos wordt waarschijnlijk nooit door een spreeuw gebruikt.
- De binnenkant verven of behandeld hout gebruiken. Gebruik aan de binnenkant onbehandeld, ongeverfd hout. Verf je de buitenkant, kies dan een watergedragen beits in een lichte of natuurlijke kleur.
- Afwatering, ventilatie en toegang vergeten. Goede kasten hebben afwateringsgaatjes in de bodem, ventilatiekieren bovenin en een zij- of voorkant die open kan om schoon te maken. Zie wanneer en hoe je een nestkast schoonmaakt.
- In de volle zon hangen. Op het zuiden of westen kan een kast in de zomer oververhit raken. Het noordoosten tot oosten is in onze streken meestal de beste richting.
- Aan een schutting zonder bescherming. Katten gebruiken schuttingen als snelweg.

Kan één kast meerdere soorten dienen?
Ja, binnen grenzen. Een kast van 32 mm aan een boom in een groene wijk kan het ene jaar een koolmees huisvesten, het volgende jaar een ringmus en daarna een boomklever. Een kast van 28 mm kan naar pimpelmezen of koolmezen gaan. Dat is een reden waarom veel mensen twee of drie kasten met verschillende maten ophangen.
Mezen verdedigen een territorium rond hun kast, dus twee kasten voor dezelfde soort hangen beter niet te dicht bij elkaar. Een pimpelmeeskast en een koolmeeskast kunnen wel op een paar meter van elkaar hangen, omdat de soorten elkaar op die afstand meestal verdragen. Huismussen en ringmussen zijn koloniebroeders en broeden juist graag vlak naast elkaar, daarom bestaan er mussenkasten met drie of meer kamers.
Hoe zit het met vleermuizen, eekhoorns en insecten?
Kasten met grotere gaten trekken ook andere dieren aan. Eekhoorns, bosmuizen en in sommige regio’s slaapmuizen trekken in bosrijke omgevingen graag in kasten van 32 mm en groter. Wespen en hommels, vooral de boomhommel, nestelen soms in de zomer in een kast. Laat hommels met rust: ze zijn na een paar maanden weer weg. Vleermuizen hebben een heel ander ontwerp nodig, een smalle vleermuiskast met een open onderkant, en gebruiken een gewone vogelkast niet.
Snelle feiten
- 25 tot 28 mm: pimpelmees, zwarte mees, glanskop, matkop.
- 28 tot 32 mm: koolmees, bonte vliegenvanger, ringmus.
- 32 tot 35 mm: huismus, boomklever, gekraagde roodstaart.
- Ongeveer 45 mm: spreeuw.
- Ongeveer 65 tot 70 mm: steenuil, in een speciale kast.
- Halfopen kast: roodborst, winterkoning, grauwe vliegenvanger, zwarte roodstaart.
- Een gat van 28 mm of kleiner houdt huismussen doorgaans buiten, een gat van 32 mm houdt spreeuwen buiten.
- Nooit een stokje onder het invlieggat.
Bronnen
Veelgestelde vragen
Welke maat invlieggat heeft een pimpelmees nodig?
Voor pimpelmezen adviseren de meeste Nederlandse en Belgische nestkastgidsen een rond invlieggat van 26 tot 28 mm. Britse organisaties als de RSPB houden 25 mm aan. Zo'n klein gat is ook geschikt voor zwarte mees, glanskop en matkop, en houdt koolmezen, huismussen en spreeuwen buiten. Daardoor blijft de kast gereserveerd voor de kleinste mezen.
Welke maat invlieggat houdt huismussen buiten?
Een rond gat van 28 mm of kleiner houdt huismussen doorgaans buiten, terwijl pimpelmezen en andere kleine mezen er nog wel door kunnen. Vanaf ongeveer 32 mm kunnen huismussen naar binnen. In Nederland en België is dat geen probleem maar juist een kans, want de huismus is een inheemse soort die sterk is achteruitgegaan en graag in nestkasten broedt.
Welke maat invlieggat heeft een koolmees nodig?
In Nederland en België is 32 mm de gangbare maat voor koolmezen. In Groot-Brittannië wordt vaak 28 mm geadviseerd, en koolmezen passen daar ook door. Een kast van 32 mm trekt behalve koolmezen ook huismussen, ringmussen en boomklevers aan. Wil je vooral koolmezen, hang de kast dan aan een boom of in een rustige tuinhoek en niet vlak bij een mussenkolonie.
Welke maat invlieggat heeft een spreeuw nodig?
Spreeuwen hebben een rond invlieggat van ongeveer 45 mm nodig, in een ruimere kast met een grotere bodem dan een mezenkast. Spreeuwen zijn in Nederland en België in aantal achteruitgegaan, dus een spreeuwenkast onder de dakrand of hoog aan een boom is welkom. Hang hem niet vlak naast mezenkasten, want spreeuwen zijn luidruchtig en dominant.
Bepaalt de maat van het invlieggat alleen welke vogel de kast gebruikt?
Nee. De maat bepaalt de grootste vogel die naar binnen kan, maar ook de omgeving, de hoogte van de kast, de bodemmaat en de afstand van het gat tot de bodem spelen mee. Een kast van 32 mm aan een huismuur trekt vaak huismussen, terwijl dezelfde kast aan een eik in een bosrand eerder een koolmees of boomklever krijgt.
Moet er een stokje onder het invlieggat?
Nee. Holenbroeders hebben geen stokje nodig om naar binnen te gaan, en een stokje helpt juist rovers als eksters, gaaien en katten bij het nest te komen. Een licht opgeruwde voorkant of een paar ondiepe groeven aan de binnenkant van de voorplank helpt jonge vogels om naar buiten te klimmen.